De Cellebroeders en hun kapel

Jac van den BoogardLezing over de Cellebroeders en hun kapel, uitgesproken door de historicus Jac van den Boogaard ter gelegenheid van de viering van het 500-jarig bestaan van de Cellebroederskapel tijdens de jubileumviering op 9 juni 2012.

 

skyline met torens

 

 

 Wie waren de Cellebroeders?

De Cellebroederskapel

Het interieur

Bank van lening, de lommerd


DE CELLEBROEDERS EN HUN KAPEL

Dames en heren, elke plek, elk gebouw, elke kerk of kapel in deze oude stad aan de Maas heeft een eigen verhaal, een eigen biografie. Drie decennia geleden schreef broeder Ubachs het verhaal van deze kapel. Nu is ontdekt dat die kapel 500 jaar geleden werd gebouwd. Reden voor een nieuwe publicatie.
Aan mij de eer u bij de hand te nemen en de biografie van de vijfhonderdjarige en zijn gebruikers in vogelvlucht uit de doeken te doen.

Wie waren de Cellebroeders?

In de twaalfde eeuw ontstonden lekengemeenschappen van vrome mannen en vrouwen. Begaarden en begijnen werden ze genoemd. Eenvoudige mensen, die woonden in kloosters en hun dagen besteedden aan gebed en ziekenzorg. Ze werkten in gasthuizen of hospitalen. De cellebroeders nu, zijn uit de begaarden ontstaan. Ze werden oorspronkelijk lollarden (lollen betekent bidden of prevelen) genoemd of alexianen naar hun patroon de H. Alexius. De naam 'cellebroeders' kwam pas na 1450 in gebruik en verwijst naar hun verblijf in een kloostercel. Ze werden in 1458 pauselijk erkend en moesten voortaan de geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid afleggen en de kloosterregel van Augustinus volgen. U kijkt naar een afbeelding uit een oorkonde uit 1508. In het midden staat de paus tussen twee kardinalen. Deze trits wordt geflankeerd door de beide patronen van de Cellebroeders, links S Augustinus en rechts de H. Alexius. Aan weerskanten daarvan knielen twee Cellebroeders.oorkonde

Vanaf 1458 droegen de broeders een donkergrijs habijt met monnikskap en scapulier. In middeleeuws Maastricht worden ze voor het eerst genoemd in 1360. Rond 1400 was het een alom geachte gemeenschap. De broeders knapten eigenlijk het vuile werk op. Ze namen zieken, zwakzinnigen, geesteszieken en 'commensalen' op. Dat waren de 'zwarte schapen' van vooraanstaande families, die door de broeders in het gareel werden gehouden. Hun klooster was een toevluchtsoord voor vrijdenkers met afwijkende seksuele of religieuze ideeën of voor deserteurs. Eigenlijk werden ze gewoon opgesloten achter tralies en muren in een duistere cel.
De broeders verzorgden ook zieken in de stad, thuis of in gasthuizen en ze begroeven de doden. Hun diensten waren onmisbaar tijdens pestepidemieën. Als tegenprestatie voorzag de stad in een deel van hun levensonderhoud. Hun aantal was nooit groot. In 1403 waren er tien broeders, in 1656 waren het er dertien, in 1680 elf en in 1797 weer dertien. Ze streefden naar een aantal van twaalf, een 'heilig' getal dat herinnert aan de twaalf apostelen.

regel van augustinusEen manuscript gedateerd rond 1500 beschrijft de regel van de broeders. Dit is de eerste pagina van dit fraaie archiefstuk. In 1710 werd hun kloosterregel in druk uitgegeven. Broeder Hendrik Kerckhoff beschreef daarin het leven van de broeders en hun werk: de ziekenzorg en het begraven van doden. Ze mochten geen geneeskundige handelingen verrichten. Als zij zieken buiten hun klooster verpleegden, mochten ze daar ook eten, behalve op 'vastenavond'. Slemppartijen als carnaval.... daar mochten de broeders zich niet mee inlaten. De chirurgijn kwam zelfs driemaal per jaar om de broeders te aderlaten als preventief middel tegen zinnelijke lusten. Of dat ook een probaat middel was, lijkt me twijfelachtig.


regel van Augustinus gedruktDe broeders zorgden vooral voor pestlijders. Onder die verzamelnaam werden allerlei besmettelijke ziekten samengevat. In Maastricht werden tussen 1471 en 1669 maar liefst 38 pestepidemieën genoteerd. Zodra een epidemie uitbrak, droeg de overheid de cellebroeders als stedelijke pestbestrijders de leiding op over het pesthuis. De broeders moesten zich strikt aan de regels van broeder Kerckhoff houden, maar dat gebeurde niet altijd. Het vlees is nu eenmaal zwak. Er waren klachten over de hygiëne, over drankmisbruik of over de hoge vergoedingen die ze vroegen voor de verpleging of een begrafenis. Zelfs ging het gerucht dat de broeders pestlijders expres zo slecht behandelden, dat ze geen kans op overleven hadden, omdat een begrafenis meer opleverde dan het verplegen van een zieke.

pestdokterU kijkt naar de kledij van de 'pestdokter'. In de lange snaveltuit zaten welriekende kruiden en specerijen. Men dacht dat de ziekte via slechte lucht – mal aria – werd overgedragen en dat die kruiden tegen besmetting zouden helpen.
Om excessen onder door de broeders te bestrijden werden de regels in 1626 nogmaals vastgelegd. Maastrichtenaren konden de cellebroeders aan huis ontbieden bij een verdacht ziektegeval. De broeder die op onderzoek uitging, diende door achterafstraatjes te gaan en mocht onderweg niemand aanspreken. De pestdoden werden na tien uur 's avonds begraven. De broeders mochten geen vergoeding eisen van de slachtoffers of zich iets toe-eigenen uit hun bezittingen. Ze mochten in ontruimde huizen geen feest vieren met overgebleven spijs en drank. Niets menselijks was de broeders blijkbaar vreemd! In 1664 liep een en ander zo uit de hand dat het stadsbestuur de ziekenzorg voorlopig toevertrouwde aan de Grauwzusters. Vijf jaar later regende het weer klachten over de broeders. Overledenen werden niet begraven of al bij daglicht uit hun huizen gehaald, familieleden werden met hoge kosten belast en de broeders zouden bij het begraven zelf regelmatig te diep in het glaasje hebben gekeken.

CellebroedersDit is de kledij van de cellebroeders in de 18e eeuw.
De broeders verleenden ook huisvesting aan 'zinnelozen'. Dat waren geesteszieken of zwakzinnigen, maar ook mensen met afwijkend gedrag. De reden voor opname was: gevaar voor de omgeving. De behandeling stelde niks voor, als zij maar van de straat waren. Soms werden zinnelozen gewoon in de boeien geslagen. De cellebroeders hadden twee paarden voor hun begravingen. Het stadsbestuur bepaalde (1619) dat de ze voor deftige begrafenissen in de kerk drie guldens kregen en voor een begrafenis buiten op het kerkhof dertig stuivers. Een kinderbegrafenis bracht vijftien stuivers op. Het was niet verplicht de broeders uit te nodigen voor het begrafenismaal. Men was evenmin verplicht de broeders in te schakelen bij een begrafenis. Tijdens epidemieën mochten de broeders uitsluitend pestlijders begraven en geen andere overledenen, uiteraard vanwege het besmettingsgevaar.

beleg FransenNadat Maastricht door de Fransen in 1794 was ingenomen werden alle kloosters en hun bezittingen geconfisqueerd. De Cellebroeders meenden onder de opheffingswet uit te komen, omdat zij taken van algemeen belang vervulden. Ze konden de liquidatie rekken tot 1797 en hebben in de tussentijd heel wat van hun bezittingen gered of te gelde gemaakt. Om vijf uur 's middags op 22 januari 1797 hadden alle broeders het pand verlaten.

De Cellebroederskapel

exterieurNu wil ik graag de kapel aan de orde stellen. Wanneer werd de kapel gebouwd? Lange tijd dacht men in 1539, maar uit dendrochronologisch onderzoek (2002) bleek dat het hout in de kapconstructie afkomstig is van eikenbomen, die 160 jaar oud waren toen ze in 1511 werden gekapt. Dat hout is in 1512 verwerkt in de kapel. Vandaar dat we vandaag 500 jaar Cellebroederskapel vieren. Dit bouwjaar komt stilistisch ook overeen met de flamboyante gotiek, die we zien in de gewelven, de kapitelen en de traceringen van de vensters. Mogelijk was zekere Mathijs Broers, kanunnik van het Sint Servaaskapittel, de initiator tot de bouw. Het klooster was bereikbaar via een smal straatje dat naar de tweede stadsmuur liep, de Cellebroedersgang.


van gulpen interieurDe kapel is opgetrokken uit mergelsteen. De kapconstructie is nog oorspronkelijk. Het dak was gedekt met leien, in de 19e eeuw vervangen door dakpannen. Bij de restauratie in de jaren 1960 zijn de leitjes weer herplaatst. Het is een zaalkerkje met een vijfhoekige koorsluiting op het oosten en een topgevel aan de westzijde. De muren van het schip zijn door hoge steunberen verdeeld in telkens vier traveeën.
Zo tekende Philippus van
Gulpen de kapel in de jaren 40 van de 19e eeuw. Tussen de steunberen zien we hoge spitsboogvensters met sierlijke traceringen.
engel met schild na restauratieIn 1705 werd een tussenvloer aangebracht in de kapel, waarbij de ramen aan de zuidzijde met baksteenmuren werden opgevuld. Het schip van de kapel telt vier gewelfvakken en het priesterkoor heeft een stergewelf. De gewelven zijn door ribben verdeeld in een decoratief gotisch netwerkpatroon. 
Die gewelfribben worden ondersteund door kapitelen versierd met engelenparen die de lijdenswerktuigen van Christus dragen, attributen die verwijzen naar de goede werken van de cellebroeders. Bij de sacristiedeur is een kapiteeltje versierd met schilddragend engeltje.

Convent des CelitesTussen 1705 en 1709 werd het klooster uitgebreid Zo tekende Philippus van Gulpen het Cellebroederscomplex anno 1846. De drie vleugels van het klooster waren opgetrokken uit baksteen en voorzien van hardstenen vensterlijsten en lagen rond een binnenhof ten noordoosten van de kapel. De kloostergebouwen zijn wegens bouwvalligheid gesloopt in 1954. Deze foto uit circa 1950 laat de erbarmelijke situatie van het complex zien. Van het originele kloostercomplex rest alleen nog de zuidvleugel met vakwerkgevel, althans een onderbouw van mergelsteen en een bovenbouw van vakwerk. Deze kloostervleugel werd tegen de kapel aangebouwd en daartoe werden de vensters aan de noordzijde van de kapel dichtgemaakt.

kapel midden 19e eeuwKeren we even terug naar het geschiedverhaal. Het Cellebroedersklooster werd dus op 22 januari 1797 opgeheven. U kijkt naar een tekening van J. Brabant, medio 19e eeuw gemaakt van het complex vanuit het noordwesten. Enkele jaren was er het 'Infirmenhuis' voor zieken, bedelaars en gebrekkigen in gehuisvest; dat ging in december 1822 op in het ziekenhuis Calvariënberg. In dat jaar trok de 'Bank van Lening' erin, die daar gevestigd bleef tot 1924. Overige bestemmingen - opslagplaats, garage, atelier - maakten van het klooster een bouwval, die in 1954 werd gesloopt. Alleen deze kapel en de aanpalende vleugel in vakwerkbouw bleven gespaard.

Postmes kleinIn 1940 hadden de broeders van de Beyart de bouwval gekocht. Vooral broeder Orestes en broeder Sigismund Tagage hebben zich jarenlang voor het behoud en de restauratie van de kapel ingezet. In 1960 luidde professor Timmers de noodklok voor de kapel, die van ellende in elkaar begon te zakken. Een jaar later werd een restauratieplan opgesteld dat van 1963 tot 1965 werd uitgevoerd. Daarbij werden in de mergelstenen onderbouw van de overgebleven vleugel vier vensters in ere hersteld. Tijdens deze restauratie is de vakwerkconstructie vernieuwd. In de kapel werden de dichtgezette vensters aan de zuidzijde weer opengebroken en van nieuwe venstertraceringen voorzien.
Men ontdekte dat de kapel van oorsprong rood geschilderd was aan de buitenkant. Dat rood schilderen was niet alleen omwille van de esthetiek, maar vooral ter conservering van de mergel. De kleur rood is afkomstig van ijzeroer. Dat kwam veel voor in de stad; kijk maar naar de huidige toren van de Sint-Jan.

Cellebroederskapel-023Tijdens de restauratie van 1963-1965 werd ook het markante zeshoekige torentje gereconstrueerd. In 1995 werd de kapel door de Broeders van de Beyart overgedragen voor het symbolisch bedrag van één gulden, aan een nieuwe stichting onder voorzitterschap van Job Cohen. Omdat hij slechts een stuiver un zijn portemonnee had, namen ze ook daar genoegen mee. Later werd ze weer voor een symbolisch bedrag van € 1,- overgedragen aan de Vereniging Hendrik de Keyser. De twee muntstukken van 50 eurocent zijn verwerkt in de paaskaarskandelaar.

Het interieur

Dames en heren, we gaan terug naar het bijzondere interieur van de kapel. Bijzonder omdat het oorspronkelijke volledig beschilderde interieur nog goeddeels aanwezig is. Deze beschildering heeft de tand des tijds doorstaan. Ik hoef u eigenlijk geen plaatjes te laten zien, want u bent ter plaatse. Kijkt u maar naar de ribben van het gewelf, de venstertraceringen en de gotische boogfriezen in de wanden; die zijn allemaal okergeel geschilderd, de pijlers tussen de vensters rood, de manchetten rond de kleurige sluitstenen in het gewelf rijk versierd en de witte gewelfvelden verfraaid met decoratieve engelen en florale motieven. Bijzonder omdat de meeste andere kerken in Maastricht bevatten enkel fragmenten van historische beschilderingen. Middeleeuwse kerken waren meestal volledig beschilderd om de onregelmatige structuur van de stenen wanden te effenen en te decoreren met kleurige voorstellingen.

Vanaf circa 1850 werden veel kerken ontdaan van hun beschildering. Daarmee wilde men teruggaan naar een soort middeleeuwse ambachtelijke puurheid. Die trend heeft tot de jaren '80 van de 20ste eeuw geduurd. Figuratieve schilderingen werden vaak wel gespaard. Mergel leent zich uitstekend voor deze ontpleisteringsmethode. Gelukkig is de Cellebroederskapel die dans ontsprongen. Bij de restauratie in de jaren 1960 bleek onder vele kalklagen de oorspronkelijke beschildering nog aanwezig. Restaurator Volders heeft de schilderingen gerestaureerd.

gewelfOp de buitenste gewelfvelden en de velden naar de ramen en de wandnissen toe zijn cirkelvormige florale decoraties of loofkransen aangebracht met daarin pijnappel-, acanthus- en zonnebloemachtige motieven. In de binnenste driehoekige gewelfvelden zijn engelen met de lijdenswerktuigen geschilderd: een speer, het kruis, een zuil, een lans, een doornenkroon, drie nagels en een zweep. De dikke kalklagen lieten op de schilderingen een witte waas achter waardoor de voorstellingen onduidelijk waren. Om dit te verhelpen werd destijds een emulsielaag van olie en ei op de schilderingen aangebracht. Olie wordt geel en donker na verloop van tijd; daardoor zien enkele schilderingen er nu vlekkerig en vuil uit. Deze laag is zo diep in de poreuze ondergrond gedrongen dat ze niet meer is te verwijderen.

De ribben van het gewelf zijn okergeel geschilderd. Op de plek waar de armen van de ribben rondom de sluitstenen samenkomen, hebben ze een rode, groene of blauwe afwerking.

kroonluchtersWat moet het ooit een prachtig gezicht geweest zijn als de Cellebroeders in hun kapel bijeen waren, de kaarsen ontstoken waren en aller ogen zich in gebed naar het meest bijzondere sprookjesachtige plafond van alle kerken in de stad Maastricht richtten. Het gewelf was ooit bezaaid met fonkelende zilverkleurige sterretjes. Die werden met een vernuftige techniek met gebruik van tinfolie en was aangebracht op het gewelf. Ze zijn haast allemaal verdwenen en de laatste sterretjes zijn helemaal zwart geoxideerd. Maar straks zal die sterrenhemel weer gaan stralen, gezwicht voor het licht van de fraaie nieuwe kroonluchters met tientallen lichtpuntjes. Dat zal het gewelf ongetwijfeld hetzelfde sterbesprenkelde effect geven.

laatste oordeelOp de westelijke wand van de kapel is tijdens de restauratie in de jaren '60 een voorstelling van het Laatste Oordeel tevoorschijn gekomen. Helaas is daarvan maar weinig bewaard. Het is onduidelijk of er tijdens het vrijleggen van de schilderingen ook kleurige afwerklagen op de wanden en pijlers zijn aangetroffen. Broeder Orestes besloot in 1980 tot een onderhoudsbeurt van het interieur. Toen werden de muurvlakken wit, de venstertraceringen okergeel en de pijlers tussen de ramen rood geschilderd. Het wit van de wanden werd voortgezet op de westwand tot vlak langs de randen van het Laatste Oordeel.

Tijdens de meest recente restauratie van de kapel in 1998 werden de wanden niet opnieuw geschilderd, maar gereinigd. Zo kan zich een ouderdomspatina gaan vormen op het nieuwe werk en zal het geheel mooi gaan aansluiten bij de natuurlijke veroudering van de gewelfschilderingen. Nu de schilderingen opnieuw gerestaureerd zijn door het Restauratie Atelier Limburg is het architectonische concept van de kapel weer in ere hersteld.

Bank van lening, de lommerd

bank van leningDames en heren, u kijkt naar een foto met op de begane grond tralies voor de vensters. Dat was de beveiligde opslagplaats van de bank van lening, die een eeuw lang was gevestigd in het klooster en de kapel. Dat is een bijzonder stukje Maastrichtse geschiedenis. Er bestonden al eeuwen lang geldschieters die, tegen onderpand van roerende goederen, geld aan particulieren verstrekten tegen betaling van rente. Ze werden lombarden genoemd, naar de streek van herkomst Lombardije. De Bank van Lening werd in de volksmond van lombard tot 'lommerd' verbasterd. In 1802 werd de eerste echte lommerd opgericht. Die instelling verhuisde in 1822 naar deze kapel. De directeur woonde in de aanpalende woning. De bank was minstens zes uur per dag geopend. De goederen werd geregistreerd in pandregisters en je kreeg die bij inlossing, tegen inlevering van je leenbriefje, terug. Niet afgehaalde goederen werden na veertien maanden geveild.
Een eeuw lang werd er jaarlijks een bescheiden winst gemaakt, maar aan het einde van de 19e eeuw ging de lommerd geleidelijk aan steeds meer verlies lijden. Vanaf 1912 speelde ze zelfs helemaal niet meer quitte.

atelierIn 1920 moest directeur Castermans een rapport maken over het voortbestaan van de instelling. De gemeente besloot in 1922 tot opheffing van de bank. Met de afwikkeling van de sluiting waren nog twee jaren gemoeid; op 6 juni 1924 was het exit lommerd.

De Cellebroedersstraat telde in deze jaren slechts twee huisnummers. Op no.1 bleef oud-directeur Castermans en zijn familie nog tot eind jaren 1930 wonen; op huisnummer 2, waar voorheen de bank zat, woonden sindsdien enige particulieren. In 1938 werd de Werklozendienst van het Burgerlijk Armbestuur er gehuisvest. Na de Tweede Wereldoorlog raakten beide panden onbewoond en sloeg het verval toe. In de jaren tot aan de restauratie van 1963 diende de kapel nog als pakhuis en autobusgarage en op de verdieping was het atelier van kunstenaar Louis Scholberg.

Slot

Dames en heren, ik ben aan het eind gekomen van dit overzicht over de Cellebroeders en hun kapel. Ik ben inmiddels op een leeftijd gekomen, waarop je iets autobiografisch mag vertellen. Het was dit jaar op 23 april precies dertig jaar geleden dat mijn echtgenote en ik in deze kapel in het huwelijk traden. 

Aan die trouwerij heb ik nog een kostelijke herinnering. Een goede vriend speelde fantastische 18e eeuwse Italiaanse muziek op altblokfluit met orgelbegeleiding. We hadden die muziek van Frescobaldi samen zorgvuldig uitgekozen. Het was muisstil in de kapel. Door de temperatuurswisseling – het was vochtig weer die dag - tussen buiten en binnen (en een blokfluit is daarvoor zeer gevoelig) viel het zware kopstuk van het instrument met een luide knal op de stenen vloer......
bruidspaar vd BoogardPlots was het wel heel stil in de Cellebroederskapel op het geluid van een rammelend stuk hout na, dat tot halverwege de kerk rolde en daar tot stilstand kwam. Onze muzikant stapte fier naar voren, monteerde het stuk doodgemoedereerd op de fluit, gaf de organist een seintje en voltooide zijn muzikale bijdrage alsof er niets gebeurd was. Wij hebben als bruidspaar niets van dit intermezzo gezien; we konden alleen maar vermoeden wat daar achter onze rug gebeurde..... het kan geen toeval zijn dat onze muzikant van toen, nu een van de co-auteurs van het dadelijk te presenteren boek is. Servé is niet aanwezig vanwege vakantie of..... misschien wel omdat hij bevroedde dat ik deze confidenties hier zou doen.

Dames en heren, met dank aan de auteurs van het boek die mij hun teksten ter beschikking hebben gesteld, zeg ik graag: dank voor uw aandacht.